Het
damhert
is groter dan een ree en kleiner dan een edelhert.
Zijn vacht heeft veel kleurvarianten, van roodbruin tot zwart of gevlekt. De buik is meestal geelwit. Daarnaast heeft het damhert een zomervacht en wintervacht die qua kleur van elkaar verschillen.
Het damhertmannetje draagt een gewei, een schoffelgewei waarbij de einden van de takken met elkaar verbonden zijn door platen. Het gewei wordt ieder jaar in april of mei afgeworpen en groeit daarna weer aan.
Damherten leven in roedels. De volwassen mannetjes (herten) leven apart van de vrouwtjes (hinden) met hun nakomelingen. Een hindenroedel wordt geleid door een dominant vrouwtje. Jonge mannetjes trekken naar de vrijgezellenroedels als ze twintig maanden oud zijn.
Alleen in de
bronsttijd
komen de herten en hinden bij elkaar. De
bronsttijd valt in de tweede helft van oktober
en duurt tot in november.
In Nederland zie je het damhert vooral in
hertenkampen en op kinderboerderijen. Uit parken
ontsnapte damherten leven op de Veluwe en in de
duinen. Damherten zijn van nature dagdieren,
maar door de jacht en in verstoorde gebieden
zijn ze meer schemerdieren. In de ochtend- of
avondschemering maak je dan ook de meeste kans
om een damhert in het wild te zien.
|
|
|